'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Van Eric en Leo en hoe het weer goed kwam

Eric Gudde neemt na tien jaar afscheid als algemeen directeur van Feyenoord. Terugkijkend op die periode, heeft hij eigenlijk maar van één ding echt spijt: de manier waarop hij Leo Beenhakker buiten de deur werkte.

Door , in categorie: Verhaal op . Tags: , , ,

*

Leo loopt in zijn ochtendjas het balkon op. Het is mistig, maar niet koud. Hij kijkt naar de Kuip, zoals hij iedere morgen als eerste even naar de Kuip kijkt, maar die vandaag letterlijk in nevelen is gehuld. Hij schudt zijn hoofd, steekt een sigaar op en gaat zitten.

Voor hem ligt het Algemeen Dagblad. Ajax verloren, Feyenoord verloren. PSV haalt uit. Leo denkt er het zijne van en neemt een slok van zijn koffie.

Na tien minuten gaat zijn telefoon. Een onbekend nummer.

“Met Leo”, zegt hij nors. “Wie belt er zo vroeg?”
“Hallo Leo”, klinkt het aan de andere kant. “Met Eric… Hoe gaat het met je?”

Het duurt een paar seconden voordat het kwartje valt.

“Het gaat hier best, Eric. Waar bel je voor?”
“Ik vroeg me af of we eens konden praten.”
“Wat valt er te praten dan?”
“Ik wil mijn excuses aanbieden, Leo.”
“Toe maar. Dan bel je al vlot.”

Eric is even stil, en zegt dan: “Wat zeg je ervan?”

Leo zucht. 

“Ik zit daar niet op te wachten, Eric. Het spijt me zeer. Nee, het spijt me eigenlijk niet. Ik zit er niet op te wachten. Ik zit niet op jou te wachten.” En met een kleine vingerbeweging komt er een einde aan het gesprek.

Leo moppert en bladert verder in zijn krant. Hij fronst zijn wenkbrauwen bij de column van Hugo Borst, lacht om de strip van Dirkjan en hij leest dat Karl-Heinz Rummenige 62 wordt vandaag. Die zal hij vanmiddag even een appje sturen.

Als hij opstaat, ziet hij dat de mist nog dikker geworden is. De Kuip is bijna niet meer te zien. Hij staat stil en denkt na. Dan gromt hij en pakt hij zijn telefoon:
“Ik eet pasta vanavond. Zes uur. Wees op tijd.”

Een tweede berichtje gaat naar Jorien:
“Die bijgoochem heeft gebeld.”

* *

Leo doet open. Hij draagt een schort met tomatensausvlekken en hij heeft een pollepel vast. Eric draagt een zwartleren jack. Zijn bril is beslagen.

“Ik heb sigaren voor je meegebracht”, zegt Eric. Hij is zichtbaar nerveus. Leo neemt het doosje aan, opent het en ruikt aan de sigaren. “Dat is je geraden.”

Even later staan ze samen in de keuken.
“Als jij nou dat stokbrood snijdt, dan kunnen we zo eten”, zegt Leo. “Ik hoop dat je spaghetti lust.” Hij roert in zijn saus. Zonder een woord te zeggen zoekt Eric naar een mes en begint te snijden.

Tijdens het eten gaat het over veel, maar eigenlijk gaat het over niets. Het is fris buiten. Erics zoon doet het goed bij Excelsior. Samen met Ferry de Haan, die Leo nog naar Feyenoord haalde. De kat van de zus van Leo’s buurvrouw is vorige week ingeslapen en het arme meissie is er hartstikke van overstuur.

Als ze bijna uitgegeten zijn, zegt Leo ineens:
“Het doet zeer, Eric. Nog steeds. De manier waarop. Het is míjn club! Ik heb zestig jaar rondgebanjerd in die poel van jolijt. Maar nooit in die zestig jaar heeft iemand me zó op mijn ziel getrapt.”

Hij neemt een laatste hap. Eric zegt niets.

“En ik had verdomme die schaal willen uitreiken.”
“Ik durfde het niet te vragen”, zegt Eric.
“Je bent een lul.”

Leo staat op en loopt met de lege borden naar de afwasmachine. Vanuit de keuken roept hij: “Wil je een borrel?” Hij komt terug met een halflege fles Joseph Guy en twee glazen. Aan de salontafel schenkt hij twee keer in. 

“Kan ik het goedmaken?”, vraagt Eric.

* * *

Het is een koude decembermiddag. Journalisten drommen samen in de perskamer van de KNVB. Eric is net een maandje bezig in Zeist. Dit is zijn eerste persconferentie in zijn nieuwe functie. Hij presenteert de nieuwe technisch directeur.

Ze zijn er allemaal. Maalderink, Vermeulen, Jansma. Zelfs Frits Barend heeft zijn perskaart afgestoft.

Leo kijkt de zaal rond en grijnst.

“Hallo, stelletje bijgoochems. Daar zijn we weer.”