'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Tilburgse volkshelden, jeh – die môkte gij niks nèh

Fran Sol kan niet meer stuk in Tilburg. Hij werd ziek, speelde nog een wedstrijd, liet zich opereren en begint volgende week weer met trainen. Onze Lieve Heer ondervindt aan den lijve wat Martijn Neggers al eerder ondervond: Tilburgse volkshelden, daar blijf je met je tengels vanaf.

Door , in categorie: De wisselbeker van Neggers en De Waard op . Tags: , ,

Een jaar of anderhalf geleden schreef ik een column over Kostas Lamprou. Hij was indertijd een paar keer onder een bal doorgesprongen, kreeg er van langs in de media, en werd daar een tikkie gefrustreerd van. Ik schreef dat ik hem geluk gunde. Maar dat dat geluk voor hem misschien meer school in een laminaatwinkeltje op de Korvelseweg, dan in een baan onder de lat bij Willem II.

Helemaal fout natuurlijk. Mijn twittertimeline stroomde vol, mijn inbox op facebook stroomde vol, en de berichtjes waren niet bepaald om me te feliciteren met mijn snedige en bekwame voetbalcolumn, zogezegd. Op de Korte Heuvel werd ik, als ik op café ging, her en der met een schuin oog aangekeken, en er werd me geadviseerd sommige cafés zelfs een paar weekjes te mijden. ‘Of, weet je wat, kom er maar gewoon helemaal niet meer.’

Wat bleek? Kostas was een Tilburgse volksheld, en Tilburgse volkshelden, daar blijf je met je tengels vanaf. Zelfs de pr-man van Willem II liet het me weten, een paar dagen later: hij had echt wel het een en ander met persvrijheid enzo, maar er waren grenzen. En die lagen zo’n beetje ter hoogte van de tenen van Kostas.

We zijn een jaar of anderhalf verder in de tijd, en nadat Kostas zijn eigen film, KOSTAS WAT HET KOST, kreeg, vertrok hij met al zijn liefde voor Willem II naar de tribune van Ajax. Maar Willem II heeft een nieuwe held, ontdekte ik een jaar geleden, toen ik café Weemoed binnenstapte en er Jan, een van de vaste Weemoedgangers aantrof.

‘Hoeveel staat Willem II?’ vroeg ik.

‘Vur,’ antwoorde Jan mompelend. Alleen het feit dat ze voorstonden was blijkbaar genoeg informatie.

‘Wie?’

‘Franske Sol.’

Even keken we elkaar aan, Jan en ik. Daarna nam hij een slok van zijn bier en zette hij zijn bril op zijn voorhoofd.

‘Ja wè? Welke Tilburger hiet er nou Fran?’

‘Ja, dat is natuurlijk ook wel zo, Jan. Dan liever Franske, natuurlijk. En die S staat er toch al.’

‘Jè, nou,’ bromt hij, met verdacht veel liefde in zijn brom.

Een Tilburger kan drie keer naar een pan beschimmelde mosselen kijken, een keer zijn neus op halen en dan drie keer half verstaanbaar ‘Jehjeh,’ mompelen, en ineens heb je dan héél even het idee dat je in het beste restaurant van Parijs staat, en naar een chique bord haute cuisine staat te kijken. Héél even, en dan is het weer een pan beschimmelde mosselen. Maar dat éne moment, dat is genoeg. (Niet dat ik Lamprou of Sol hier nou met een pan mosselen vergelijk, hè, mind you, ik zou niet durven, het gaat om de gedachtegang). En zo is het met veel Helden van Willem II ook: ze hoeven niet de beste te zijn, als ze af en toe maar ineens heel even, door de wimpers van de supporters heen, een zweempje van de wereldtop hebben. Een minuutje of zo. Of twee. En daarom had ik het indertijd met Kostas al moeten weten: Tilburgse volkshelden, daar blijf je met je tengels vanaf.

Franske Sol werd ziek. Een tumor in zijn teelbal. Het werd geconstateerd, maar daarna heeft hij toch nog maar een potje meegevoetbald. Want ja, hè?

En achteraf knikte de hele stad vol bewondering en schrik het hoofd. ‘Jeh jeh,’ klonk het overal, van Noord tot aan de Goirleseweg.

Sol is overigens aan de beterende hand. De operatie is gelukt. Het schijnt dat hij volgende week zelfs alweer komt trainen. Tilburg hoopt stilletjes dat hij straks ineens gewoon weer mee kan doen, alsof er niets aan de hand is geweest. En dat Jan dan, in café Weemoed, met zijn leesbril op zijn voorhoofd goedmoedig kan knikken.

‘Jeh, we stôn vur jeh. Franske Sol natuurlijk, wa denkte gij dan?’

Want zelfs voor de genetica en Onze Lieve Heer geldt: Tilburgse volkshelden? Daar blijf je met je tengels vanaf. Dat ze het maar weten in het vervolg.