'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Penalty-angst

Aafke heeft een haat-liefderelatie met penalty’s.

Door , in categorie: Column op . Tags: , , , , , ,

Op een zomerse avond in 1998, ik was elf jaar, zat ik in de achtertuin van mijn ouderlijk huis op de schommel. Zachtjes wiebelde ik heen en weer, de zon prikte nog net in mijn rug voor hij onder zou gaan. De tuindeuren stonden open, van binnen klonk het gezoem van een vol stadion. De kamer zat vol, mijn ouders, zusjes, buurjongens op de bank, allemaal gefixeerd op de grote nieuwe televisie die mijn ouders dat jaar hadden aangeschaft. Zo eentje met een plat beeldscherm maar nog wel met zo’n enorme bak erachter. Mijn vader had eerst gezegd: ‘Ach, Brazilië, daar win je sowieso niet van’, maar tijdens de wedstrijd was hij steeds verder naar het puntje van zijn stoel geschoven. Ik had naast mijn buurjongens op de bank gezeten, eerst anderhalf uur lang, daarna nog dertig minuten, daarna was ik resoluut naar buiten gelopen. Nu zat ik hier in mijn oranje T-shirtje op de schommel.

In de kamer was het eerst muisstil, dan brak een ingehouden gejuich uit. De eerste erin. De Boer. Tweede ook raak. Bergkamp. Maar dan wordt het stil, heel lang stil. Ik knijp zo hard in de kettingen dat mijn knokkels wit zien. Mijn maag wriemelt als een hitsige hamster in mijn buik. God, wat haat ik penalty’s. Na de grote vakantie ga ik naar de middelbare school. Alleen naar school fietsen, vijftien kilometer, nieuwe vrienden maken, vakken die ik nog niet snap – en toch valt de spanning van dat alles in het niets bij de zenuwen die zich een weg door mijn buik vreten nu. Ik hoor de naam van die andere De Boer. Stilte, stilte… en dan een zucht, alsof het huis minutenlang z’n adem heeft ingehouden. We liggen eruit.

***

Zes jaar later, nog zo’n zomerse avond, 2004 nu. Ik heb het gymnasium zonder al te veel problemen doorlopen, en vanavond vieren we één van de vele examenfeestjes, in Beek. De achtertuin van een jongen waar ik al tijden een oogje op heb, maar hij valt op sportieve meisjes, en laat ik dat nou net niet zijn. Ik haat sport. Bewegen is mijn vijand. De zes jaar eindeloos naar school fietsen door weer en wind hebben ieder greintje zin in lichamelijke inspanning zorgvuldig platgebrand. Ik sta met mijn zesde biertje in de tuin van de jongen die er met mijn beste vriendin (die toevallig op atletiek zat) vandoor ging, en ik staar naar een groot scherm dat voor de gelegenheid is opgehangen. Nederland speelt tegen Zweden.

Mijn humeur is niet om over naar huis te schrijven. Na de zomer ga ik in Utrecht wonen, op kamers, en terwijl de rest van mijn jaarlaag stikblij is dat school eindelijk over is, begon ik het net pas een beetje naar mijn zin te krijgen – maar dat zeg ik natuurlijk tegen niemand. Ik tel de dagen tot de diploma-uitreiking af zoals een kind de dagen aftelt tot z’n vader of moeder op zakenreis gaat: ik vreesde voor gemis en weemoed. Op het grote scherm is al bijna 120 minuten weinig tot niets te zien, qua voetbal. Het staan 0-0. Ik voel de bui al hangen, en sla mijn biertje in één keer achterover. Ik word er, zoals altijd na zes biertjes, een beetje misselijk van.

Plotseling staat de tuin vol. Het gerucht dat er penalty’s genomen gaan worden is blijkbaar doorgedrongen tot de binnenste krochten van het huis van de jongen die niet van luie meisjes houdt, en alle elkaar aflebberende stelletjes zijn uit hun hol gekropen om het spektakel mee te maken. Als Ibrahimovic en Cocu allebei missen beginnen de zenuwen ondraaglijk te worden. De jongen op wie ik een oogje had loopt langs. ‘Ha, je lijkt wel een standbeeld man, zo bleek. Gaat het wel goed?’ Ik kijk hem aan en betwijfel opeens of hij ooit een voetbalwedstrijd heeft bekeken. ‘Penalty’s,’ mompel ik, en hij loopt verder. Op het scherm neemt Robben een aanloop. Het voelt alsof mijn lichaam alle energie die ik nog heb in Jomanda-style richting Arjen wil channelen. Zijn gespannen kop, zweet druipt ervan af, is secondenlang in beeld. Een epische frons. Dribbelpasjes. De bal hobbelt in een tergend traag tempo dwars door het midden, net langs de voet van de duikende keeper. De tuin ontploft. Ik laat het lege bierglas uit m’n klauwen flikkeren. Ik kijk even om me heen, maar plotseling doen al die uitvliegende leeftijdsgenoten die elkaar in de armen vallen er niet echt toe. Ik loop de tuin uit, leun om het hoekje tegen een schutting en bel mijn zusje, die dusdanig fan is van Robben dat ze niet alleen zo’n poster van twee A4’tjes met een vouwtje in het midden boven haar bed heeft hangen, maar ze wil met de trein naar Bedum afreizen om te zien waar zijn ouders wonen.
De telefoon gaat één keer over, dan neemt ze op. Pas na een seconde of wat versta ik het geluid dat ze produceert.
‘ARJEEEEEEEEEENNNNN!’
We roepen een paar minuten lang ‘ARJEN!’ naar elkaar, hangen dan op.
Voor één keer waren penalty’s de perfecte afsluiting van de avond.