'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Over een rotte knie en een gebroken pols

Uw vaste verslaggever, teamleider en kersverse veteraan is deze week een beetje pissig, en dat komt niet door de nederlaag waardoor heren 2 koploper af is.

Door , in categorie: Column op .

Dat kwam deels door de zorgen die ik heb over de gebroken pols van onze spits. Die pols knapte in de eerste helft, in een duel tegen een van de bonkige jongens van nummer twee op de ranglijst Jos Watergraafsmeer, na de overwinning van afgelopen zaterdag de nieuwe koploper.

Het was een vreemd duel, die hand zwabberde ergens tegenaan, onze spits ging neer, greep meteen naar zijn linker pols. Gebroken, bleek later in het ziekenhuis, na een foto.

Toen de wedstrijd voorbij was praatten we even na in de kantine, achter het door de zon verwarmde glas. Zijn dochter zat tegen hem aan, die keek bezorgd.

Ik zei tegen haar: ‘Zielig he.’

Ze zei: ‘Jij bent zelf zielig.’

Zo kende ik haar weer.

Dat humeur van me heeft nog een andere oorzaak.

Dit seizoen ben ik getransfereerd naar ons oudste veteranenteam maar door een klap tegen mijn rechterknie tijdens het jaarlijkse toernooi in Zuid-Frankrijk heb ik nog geen seconde gespeeld.

Inmiddels weet ik precies wat er is: voorste kruisband kapot en meniscus kapot. De orthopeed zei dat hij niet wilde opereren, met intensieve fysio is hier goed mee te leven en misschien ook te voetballen, maar die fysio moet ik dus nog doen.

Inmiddels zijn we negen maanden verder, dat maakt niet veel uit. Die knie maakt me onzeker weer het voetbalveld op te gaan. Hij voelt instabiel.

Ik vroeg nog aan die orthopeed of ik dan straks na die intensieve fysio die dubbele schaar kan.

‘Geen probleem,’ zei hij.

‘O dat heb ik nog nooit gekund!’ zei ik.

Die beste man kon het wel hebben. Hij had al van me gehoord dat ik net vijf dagen carnaval had gevierd en zelf kwam hij ook uit het zuiden. Die flauwe grapjes horen erbij.

Bij de voetbalclub minder grapjes. Ik heb deze maand geturfd hoe vaak me door een van de veteranen gevraagd is: ‘Wanneer kom je weer meedoen? Kun je weer spelen? Ga je je rentree maken? Ben je weer een beetje fit? Ben je er bij in Almere? Doe je mee vandaag of moet ik het achterin weer alleen opknappen?’

Dat was in totaal deze maand achttien keer.

Ook heb ik gepoogd bij te houden hoe vaak me gevraagd is hoe het met mijn knie gaat. Dat is een heel andere vraag.

Ik zeg: gepoogd, want er viel niks te turven. Geen enkele keer kreeg ik die vraag, en daar ben ik wel even klaar mee.

Het is fijn dat die jongens vragen of ik weer mee kon spelen en wanneer, maar dat is vooral ingegeven door de koppositie van dat veteranenteam, en bij oudjes gaat het dan nog meer knisperen en sudderen in de kopjes dan bij jonkies: ze denken vooral aan dat kampioenschap. Iedere bruikbare pas-afgezwaaide selectiespeler is zeer bruikbaar, dus zodra ze mij in die kantine zien zitten duiken ze als hijgerige aasgieren op me.

‘Wanneer kom je meedoen, ben je weer fit, kun je weer spelen?’

Vragen vanuit het eigen teambelang. Feit is dat mijn knie nog moet herstellen en tot die tijd zal ik geen vragen omtrent mijn spelen meer beantwoorden. Vraag eerst maar hoe het met het herstel zit.

De spits die zijn pols brak is aannemer. Met werken zal hij zeker last hebben de komende weken. Wat gaat hem gevraagd worden? Of die klus nog af komt of hoe het met zijn pols is?

Mijn tip: doe dat laatste.

Dat kampioenschap van veteranen drie 45+ is trouwens niet dichterbij gekomen: ze verloren afgelopen zaterdag hun eerste wedstrijd van het seizoen, ook tegen de nummer twee, uit Almere.






Edgars leesadvies