'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Oh yeah, Mario Time!

Het is februari 2019. Mario Been is gestopt met coachen en gestopt met zijn televisiewerk. Hij is een fopwinkel begonnen in Spijkenisse. Martijn Neggers zoekt hem op, voor een interview.

Het is halfvier als ik de Puntweg van Spijkenisse op wandel. Ik ben op weg naar Mario Been, die na zijn zoveelste dubieuze voetbalavontuur in binnen- en buitenland de fopwinkel ‘Mario Time Fopartiekelen’ is begonnen. Aanvankelijk deed hij zijn werk voor FOX ernaast, maar steeds vaker had hij ook daar gewoon gewoon geen zin meer in. ‘En dan is het ver rijden, hoor, van Rotterdam naar Hilversum,’ vertelde hij me vorige week aan de telefoon.

Ik vroeg of ik langs mocht komen. Hij legde uit dat ik voor de deur gratis kan parkeren. Dat ze hier niet zo moeilijk doen in Spijkenisse. Daarna hing hij op, zonder te groeten.

Een paar minuten nadat ik de Puntweg op wandel stap ik ‘Mario Time Fopartiekelen’ binnen. Onder de deurmat heeft Mario een scheetkussen neergelegd, waardoor het net is alsof ik een scheet laat als ik binnenkom. De winkel is tot het plafond volgestouwd met fopartikelen. Ik zie links een paar rekken met fopsigaren, opplaksnorren en nepbrillen met wenkbrauwen erboven. Rechts staat een tafeltje waar pakjes kauwgom op liggen, die je, als je er een wil pakken, een stroomschokje geven.

Er zijn geen bezoekers in de zaak. Uit een klein stereotorentje klinkt In ons klein café, het lied dat Mario ooit samen met René van der Gijp opnam. Als het lied afgelopen is begint het weer opnieuw. In de hoek, op een hoge kruk achter een toonbank, zit Mario. Achter hem staat groot een kartonnen bord, waarop Mario lachend, met een mal hoedje op zijn hoofd, zijn duim op steekt. Bij zijn rechteroor staat een spraakwolkje: ‘It’s a me! Mario!’ schreeuwt Been ons toe. Mario kijkt me aan, en neemt zonder iets te zeggen een slok koffie.

‘Kom zitten,’ mompelt hij daarna, en wijst naar een kruk. Zijn ogen lachen niet. Zijn mondhoeken lachen niet. Mario heeft er geen zin in. Hij gaat verzitten, staat op, en geeft me een hand. Zodra mijn hand de zijne raakt, krijg ik een stroomschokje.

‘Geintje hè, mompelt hij. Dan zucht hij een keer. ‘Wat wil je kopen? De knetterballen zijn in de aanbieding.’

‘Ik kom voor een interview, namens Team Edgar.’

Even is Mario stil. Dan kijkt hij me nog eens aan, en plukt wat aan zijn kin. Hij blaast een keer op een nepsigaar. Aan de voorkant komt er een soort meelwolkje uit.

‘Nee, zegt me niks. Ik doe ook helemaal geen interviews meer. Ik ben helemaal gestopt met dat kutvoetbal. Ik doe in fopartiekelen. Artiekelen met ‘ie’ hè, dat staat gezelliger, zo’n spelfoutje.’

‘Ik begrijp het.’

Weer zucht Mario, en hij neemt nog een slok koffie. Als ik weer wat wil zeggen, duwt hij ineens een grote knop in, die recht voor zijn neus op de balie staat.

‘IT’S A ME! MARIO!’ schalt er door de winkel. Als ik opnieuw wat probeer te zeggen, duwt hij weer op de knop. Na zes keer proberen, geef ik het op. Ik sluit een seconde mijn ogen en denk na. Vanmiddag zal ik achter mijn computer gaan zitten, en zal ik met pijn in mijn hart intypen dat Mario Been zijn glans is verloren. En dat hij ook de doffe laag die daaronder zit, en de donkere laat die dáár weer onder zit, kwijt is.

Mario Been is het fopmannetje van Spijkenisse geworden. Ik knik een laatste keer naar hem. Hij knikt terug en trekt een trekrotje uit elkaar. Dan sta ik op en draai ik me om, om onverrichter zake naar huis te gaan. Als ik de klink vastpak, en de deurmat onder mijn voet een scheet laat, roept Mario ineens.

‘Hé, Neggers,’ roept hij. Ik kijk vragend om. Blijkbaar weet hij tóch wie ik ben en wat ik kwam doen.

‘Drieëntachtig-vierentachtig. Eigenlijk is het daarna nooit meer écht leuk geweest. En dan is het lang rijden hoor, naar Kerkrade. Of naar Heerenveen. Of naar Wacker fucking Innsbruck. Schrijf dat maar op. En trek de deur achter je dicht.’

Ik knik, stap ‘Mario Time Fopartiekelen’ uit, en trek de deur achter me dicht. In de etalage staat een zwarte piet met een voorgebonden paarse dildo. Door het enkel glas hoor ik Van der Gijp en Been nog altijd hetzelfde lied zingen.

Je kunt er biljarten, ja tien over rood. Jalalala.

Of je legt er een kaartje maar gaat in de boot. Jalalala.

Honderd meter later kijk ik nog één keer om. Van een afstandje lijkt Mario’s winkel een beetje op een tapijtcentrum.