'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Nigeria – een ode

Aafke kwam een Nigeria-fan tegen in de trein. Ze hoopt dat hij mag blijven.

Door , in categorie: Column op .

Vorige week zat ik in de trein van Maastricht naar huis toen in Roermond een man instapte en naast me kwam zitten. Hij friemelde met een opgevouwen A4-tje waarop wat aanwijzingen van 9292ov waren geprint. Hij vroeg me in het Engels welk station Den Bosch was, ik zei hem dat ik hem zou waarschuwen wanneer hij eruit moest, en vroeg hem waar hij vandaan kwam.

Hij kwam uit Nigeria, of liever gezegd: Biafra. Zo noemde hij zijn thuisregio liefdevol. Hij was christen, en in Nigeria hebben die het momenteel niet voor het zeggen. In zijn regio heerst armoede en werkloosheid, al zijn leeftijdsgenoten zitten thuis, vervelen zich, proberen op allerlei manieren aan geld en voedsel te komen.

‘Hoe oud ben je?’ vroeg ik.

’31’, zei hij.

‘Ik ook!’

Bizar hoe anders iemands leven eruit ziet. Een maand na elkaar geboren, op een andere plek. Ik stelde hem meer vragen, wilde zoveel mogelijk te weten komen over mijn leeftijdsgenoot. Hij vertelde gretig. Uit wanhoop had hij met zijn familie besloten dat hij namens hen naar Europa zou afreizen om geld te verdienen. Vijf maanden had hij gereisd. In de Sahara had hij twee mensen uit zijn groep moeten achterlaten, ze waren te zwak om verder te reizen en voor zieken was geen tijd. In Libië had hij vastgezeten, over hoe hij behandeld werd sprak hij met omfloersde woorden. Drie dagen dobberde hij in een bootje op zee voordat hij door de Italiaanse kustwacht werd opgepikt.

‘The Italians, they don’t like us. There’s too many of us, you know.’

Nu was hij hier, en hij kon er niet over uit hoe fijn hij het hier vond.

‘Jullie hebben treinen die schoon zijn en je kunt voor je vertrekt opzoeken hoe laat ze gaan. En dan gaan ze ook nog!’ zei hij. ‘En onderweg komt niemand je geld stelen. Als je iets verkeerds doet, dan is er een rechter die je veroordeelt. Weet je hoe bijzonder dat is?’

Nee, eigenlijk sta ik daar niet genoeg bij stil.

Het enige dat hij wil is zijn eigen geld verdienen en zichzelf onderhouden.

‘Als je hier geld verdient is het ook echt van jou. Je hoeft hier geen ambtenaren om te kopen, niemand die je berooft.’

En een gezin, dat wil hij ook.

‘Heb jij kinderen?’

Ja, een dochter.

‘En je kunt dat gewoon betalen? Dat is fantastisch. En ben je religieus?’

Niet echt.

‘Dat is mooi, dat dat gewoon mag en kan, en dat je dat hardop kunt zeggen.’

Gewone dingen willen, en daarvoor met gevaar voor eigen leven de halve wereld rondkruipen.

Ik wil zijn enthousiasme over zijn nieuwe thuis nog even laten bestaan. Hem niet vertellen dat ik een donkerbruin vermoeden heb dat hij niet zal mogen blijven, omdat het in Nigeria geen oorlog is. Dat hij gezien zal worden als een gelukszoeker. We zoeken allemaal geluk, maar sommigen verdienen het blijkbaar iets meer dan anderen.

Als hij opstaat geeft hij me een hand, en ik geef hem mijn telefoonnummer. App me maar, zeg ik. Een paar dagen later appt hij. Of ik de wedstrijd aan het kijken ben. Nigeria doet het goed, hij is blij. Zijn enthousiasme straalt van het scherm. De wedstrijd erna appt hij weer. En gisteravond ook. Nigeria speelt goed, maar gaat er toch uit. Ik had het ze gegund om erin te blijven, net als dat ik hoop dat hij hier mag blijven. Om een baan te vinden, een huis te kopen, een gezin te stichten. Net als wij.






Edgars leesadvies