'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Neymar wil superkrachten

Neymar jr. moet voor Brazilië de wereldtitel binnenslepen. Een God, een superheld in eigen land, maar uiteindelijk toch ook gewoon een mens van vlees en bloed. Tót Lucas de Waard een verhaal over hem schreef.


Het is laat als dokter Ferreira zijn witte jas aan het haakje naast de deur hangt en zijn hoed pakt. De ratten piepen angstig in hun kooitjes. Ze voelen dat er iets niet klopt. Ferreira kijkt naar ze en weet niet goed of hij vertedering of minachting voelt. Toen hij ze net injecteerde met fluorescerende vloeistof lagen ze als makke baby’s in zijn handpalm. Overgeleverd aan de goden. Nu dribbelen ze wat ongedurig heen en weer, alsof ze het naderende onheil voelen. Morgen geven ze licht óf zijn ze dood. Ferreira glimlacht. Zo helder en wreed kan het leven van een proefdiertje zijn. Lichtgevend of dood.

Er wordt hard op de deur gebonsd. Ferreira laat zijn hoed op de grond vallen. De schrik geeft hem meteen een droge mond, maar hij herpakt zich. De militaire politie kan onmogelijk weten dat hij hier zit. Voor zover zij weten is hij vorige maand verongelukt tijdens een skydive in de Belgische Ardennen. Hij kijkt op zijn horloge – half één ’s nachts – terwijl er nogmaals gebonsd wordt, harder nu. Geen reden om bang te zijn. Hij is een man van bijna twee meter lang en heeft kabels van bovenarmen sinds hij zichzelf injecteerde met een groeiserum voor vee. Ferreira is een man zonder angst. Een god.

De jongeman die voor zijn deur staat herkent hij meteen. Er is op het moment geen beroemdere Braziliaan te vinden. Toch stelt de gedrongen, natgeregende knaap zich voor.

‘Neymar. Ik heet Neymar junior. En ik heb uw hulp nodig.’

Ferreira knikt en maakt een weids armgebaar. Kom binnen. Het voelt volslagen vanzelfsprekend dat de grootste Braziliaanse voetballer van dit moment voor zijn deur staat. Niet omdat hij ook maar iets met voetbal te maken heeft, maar omdat grootsheid hem altijd weet te vinden.

Neymar gaat rillend op een kruk zitten. De kruk piept een beetje.

‘Wat kan ik voor je doen, jongen?’

‘Het is bijna zover’ mompelt Neymar. Hij staart naar de grond. Er bungelt een druppel regenwater aan het plukje haar dat voor zijn ogen valt.

‘Wat?’

‘Het moment. Het WK. Nu moet het gebeuren.’

‘Wat moet er gebeuren?’

‘Dat ene. Het ultieme. De 7-1 moet uitgewist. Dat kan alleen met een beker.’ Hij kijkt even om zich heen, naar de vele instrumenten die het lab rijk is, maar hij lijkt ze niet echt te zien. ‘Brazilië móet de beker’ prevelt hij.

Ferreira knikt. Hij is zoals gezegd geen voetbalman. Maar hij weet welke waanzin de straten van zijn land bevangen kan. De koorts, de razernij. Óf de vreugde. Het ligt allemaal zo dicht bij elkaar. Lichtgevend of dood.

‘Ík moet het doen.’ Neymar is gaan staan. Hij speelt wat met een leeg reageerbuisje. ‘Ík moet ons land naar glorie leiden. Maar…’ Hij laat het buisje over zijn handpalm rollen. ‘Ik weet niet of ik dat wel kan.

Dat weet Ferreira ook niet. Voetbal is een spel, afhankelijk van vele factoren. Er bestaan geen zekerheden. Net als in zijn experimenten. Hij hád een sporter kunnen zijn. Hij begrijpt deze jongen.

‘Ik moet meer zijn dan een man’ zegt Neymar. ‘Ik moet méér zijn. Een God. Een superheld. En daar heb ik u voor nodig.’

Ferreira wist dat dit moment ooit komen zou. Hij gelooft niet in de sterren, maar áls daar iets in geschreven zou staan, dan was dit het geweest. Dat hij, Arildo Ferreira, ooit een god zou creëren. Want een béétje superheld wordt in een laboratorium geboren. Niet op straat. Niet op een voetbalpleintje. Maar vastgesnoerd aan slangetjes en geperforeerd door injectienaalden.

‘U bent degene die ik moet hebben, dat hoor ik overal op straat’ fluistert Neymar. ‘U bent niet bang voor het onmogelijke. Voor vuile handen. Als wat ik wil bestaat, dan bestaat het omdat ú het kunt scheppen.’

Ferreira voelt een warme gloed van zijn tenen naar zijn kruin trekken. Hij draait zich om en loopt naar de logge, manshoge kluis in de hoek. Zwijgend toetst hij de combinatie in en langzaam opent hij de zware metalen deur. Ampullen gevuld met rode, groene en paarse vloeistof schitteren hem tegemoet.

‘Ben je er klaar voor, jongen?’ vraagt hij. Een zachtjes ‘Ja’. Hij neemt drie van de paarse ampullen in zijn hand, sluit de kluis en kijkt om, naar de tengere jongen in zijn verregende joggingpak.

‘Maar… ben je er écht klaar voor?’

Het is 17 juni. Vijf over acht. Een paar minuten geleden heeft Zwitserland afgetrapt tegen Brazilië. De bal gaat nog wat angstig van voet tot voet. De Zwitsers willen even vast grond vinden. Meteen onder druk komen; altijd vermijden. Brazilië lijkt af te wachten. Een roedel roofdieren die naar het alfamannetje kijkt: vertel ons wat te doen. Vertel ons wanneer we aanvallen. Maar Neymar heeft nog niet bewogen. Hij staat doodstil, in de buurt van de middenstip, en kijkt naar het gras. De bal passeert hem af en toe; hij reageert er niet op. In het wordt wat ongemakkelijk gemompeld. De Braziliaanse fans durven niet te zingen. Is hij geblesseerd? Staat hij te bidden? Wat is er aan de hand?

En dan ineens: een slechte pass op het Zwitserse middenveld. Neymar schiet naar voren. Niet als een voetballer, zelfs niet als een hardloper, maar als een bliksemschicht. Hij ís een bliksemschicht. Bloedrode lijnen van licht trekt hij door de avondlucht als hij de bal onderschept. En daarna: geen dribbel, geen pass; hij verdwijnt. Om meteen weer te verschijnen aan de rand van de zestien. Twee verdedigers vallen om. Brandplekken in het gras waar Neymar net stond, maar hij is alweer verder. Links van de keeper, rechts van de keeper, áchter de keeper. Hij staat ín de doelmond. De bal ligt onder zijn voet, precies op de lijn. De keeper draait zich om. Neymar kijkt hem aan, knipoogt, en geeft de bal een héél klein tikje naar achteren. Tergend traag rolt het zwart uitgeslagen leer het doel in. Aarzelend verschijnt de 1-0 op het scorebord. Dan een knal, een rookwolk, en Neymar is weg. Of nee, toch niet, hij staat aan de rand van het veld, bij de Braziliaanse supporters, en steekt zijn handen in de lucht. Rood schijnsel omgeeft hem. Niemand juicht. Monden hangen open. Een doodse stilte waarin men krekels zou kunnen horen, als er krekels waren geweest. Neymar glimlacht. Dit is pas het begin. Hij geeft licht. Hij heeft geen hartslag meer nodig.