'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

De jongensdroom van keeper Karius

De avond na de Champions Leaguefinale ging Loris Karius niet naar huis. In de kleedkamer had hij zich op de grond laten vallen en was onbedaarlijk aan het huilen geslagen. Zijn ploeggenoten stonden erbij en keken elkaar aan. Maar een dag later heeft Karius gelukkig alweer een nieuw levensdoel.

Door , in categorie: Verhaal op . Tags: , , , , , ,

Karius veegt zijn gezicht af aan zijn T-shirt. Het is warm in zijn tuinhuis, maar dat is niet de reden dat het zweet op zijn voorhoofd parelt. Het is de gretigheid die langzaamaan bezit van hem neemt. Het gevoel dat hij eindelijk, eindelijk doet wat hij jaren geleden al had moeten doen. Een zweetdruppel ontsnapt en valt op de goudglanzende stretchstof onder zijn naaimachine. Karius kijkt haast vertederd naar het kleine vlekje op de stof. Die is watervast, dus het deert niet. Hij trapt het pedaal weer in. De stof glijdt soepel door zijn handen terwijl hij een deuntje humt. Af en toe kijkt hij op naar het reusachtige aquarium in de kamer en knipoogt hij naar een lievelingsvis die net voorbij zwemt. You’ll never walk alone, zingt hij zachtjes.

 

Een dag geleden wilde hij nog dood. Het ergste vond hij misschien nog wel dat iedereen zo aardig voor hem was. Begripvol. Normaal wordt een blunderende keeper neergesabeld. Afgefakkeld tot op de grond. Maar hij niet. Omdat zijn geblunder zo gênant was, voor het oog van vijfhonderdmiljoen kijkers, dat iedereen wist: Karius is finito.


De avond na de wedstrijd ging hij niet naar huis. In de kleedkamer had hij zich op de grond laten vallen en was onbedaarlijk aan het huilen geslagen. Zijn ploeggenoten stonden erbij en keken elkaar aan.

‘Karius,’ probeerde Klopp voorzichtig, ‘toe nou jongen. Zoiets kan toch iedereen gebeuren?’ De coach gebaarde dat hij wel wat bijval kon gebruiken.

‘Ja joh, Karius,’ hielp Van Dijk, ‘het is maar een spelletje, hoor.’

‘Trek het je niet aan, Karius!’ riepen anderen. ‘We houden zo ook van je, hoor.’

‘Precies,’ zei Wijnaldum, ‘je bent altijd mijn lievelingskeeper geweest. Wij laten die paar doelpuntjes toch niet tussen ons in komen?’

‘Nee hoor,’ klonk het bijna in koor. ‘Samen uit, samen thuis, man!’

Daarop zette Klopp het clublied in en iedereen zong zo hard mee, dat een kleedkamer verderop sommige spelers van Madrid zich aarzelend afvroegen of ze de finale misschien toch hadden verloren.

Maar Karius kon niet stoppen. Het snikken en de gierende uithalen gingen ten slotte over in spasmen en ademnood, zodat Klopp zich genoodzaakt zag de medische staf erbij te roepen. Karius kreeg een serie spuitjes en werd door zijn teamgenoten met zorg en liefde op een massagetafel gelegd, met een wollen kleedje over hem heen.

Rond vier uur in de ochtend werd hij wakker. De kamer stond vol bloemen. Grote bossen rozen, zonnebloemen, korenbloemen, duizendschoon en juffertje-in-het-groen, zijn lievelingsbloem. Hij las de kaartjes. Niets dan liefde. Liefde die hij niet verdiende. Hij was zelfs hun vriendschap niet waard. ‘Karius de Parius,’ mompelde hij in zichzelf. ‘Het is beter als ik ertussenuit knijp. Dan kan de club ook verder.’ Hij stond op, pakte zijn telefoon en googelde het hoogste gebouw van Kiev.

Karius nam de trap. Achtendertig verdiepingen loutering. Hij telde de treden. Negenhonderdachtentachtig stuks, en ze kwamen uit op een smalle overloop met een deur naar het dak. Die zat op slot. Hij liet zich op de grond zakken en voelde de tranen weer komen. Met zijn hoofd op zijn knieën en zijn armen eromheen snikte hij erop los, tot hij opschrok van een hand op zijn schouder. Uit het niks stond daar een meisje met rode vlechtjes en een rubberen leguaan die bijna net zo groot was als zijzelf. Ze duwde de leguaan tegen hem aan.

‘Hier,’ zei ze, ‘jij mag hem wel hebben. Hij heet Hubert. Hubert houdt van voorleesverhaaltjes en M&M’s. Kun jij voorlezen?’

‘Voorlezen?’ Daar moest hij even over nadenken. Had hij ooit weleens iets voorgelezen? Hij kon het zich niet herinneren. ‘Jawel hoor,’ zei hij geruststellend. ‘Ik kan heel mooi voorlezen. Ik heb alleen geen boekje hier.’

Dat was geen probleem, vond het meisje. Ze troonde de keeper mee, een etage lager, naar het appartement waar haar slaapkamer was. Daar lagen voorleesboekjes in alle soorten en maten en terwijl Karius zijn best deed om al die verhalen zo goed mogelijk tot leven te brengen dacht hij even dat hij de leguaan goedkeurend zag glimlachen.

Het werd al licht toen de vader van het meisje de slaapkamer binnenkwam. Hij keek Karius lang aan, met een blik die nog het meest weghad van verstandhouding. Daarna liep hij op de doelman toe en sloot hem in zijn armen.

‘Zal ik iemand voor je bellen, Karius?’ vroeg hij.

Karius begon weer te snikken en knikte van ja.

De vader kneep hem stevig in zijn schouders en keek hem aan. ‘Ik snap het, jongen. Het moet vreselijk zijn als je jongensdroom op zo’n afschuwelijke manier onder je handen verpulvert.

Karius keek naar zijn handen. ‘Mijn droom… Eigenlijk was het nooit mijn droom. Ik wilde helemaal geen voetballer worden, vroeger.’

‘Wat dan wel?’ vroeg het meisje.

Karius ogen begonnen te stralen. ‘Zeemeermin. Ik wilde altijd zeemeermin worden.’

‘Nou,’ dan zijn we eruit toch!’ riep de vader vrolijk.

 

Karius draait de naald omhoog en haalt de voet van de stof. Hij schuift zijn creatie onder de arm van de naaimachine vandaan en houdt hem keurend omhoog, tegen het licht. De goud- en blauwglanzende stof heeft de vorm van een enorme vissenstaart. Duizenden schubben en pailletjes glinsteren betoverend in het licht. ‘Kijk jongens,’ roept hij naar het aquarium, ‘mooi hè?’ De vissen komen vanuit alle hoeken tevoorschijn om naar Karius’ staart te kijken. Sommigen lijken een duim op te steken, van weer anderen zou hij zweren dat hij instemmend geknik ziet. Hij trekt zijn schoenen, broek en sokken uit. Met veel moeite wurmt hij zich in de strakke vissenstaart. Hij bekijkt zich in de spiegel. Het resultaat is zo mooi, dat hij bijna weer in tranen uitbarst. Alleen dat Liverpoolshirtje erboven staat niet echt, vindt hij, dus dat trekt hij uit. Daarna schuifelt hij naar het aquarium, hijst zich omhoog, over de rand en laat zich met een plons in het water zakken.

‘Dag Karius,’ zegt een koikarper. ‘Wat leuk dat je er eindelijk bent. Mijn naam is Roland, en ik ben hier de voorzitter van de immigratiecommissie.’

‘Ik ben ook heel blij dat ik er ben,’ antwoordt hij. ‘Dit had ik veel eerder moeten doen.’

‘Dat zeggen wij allemaal al jaren tegen elkaar,’ grinnikt Roland. ‘Maar beter laat dan nooit, jongen, zullen we maar zeggen. Kom, dan laten we je onze wereld zien.’ De karper duikt de diepte in en Karius volgt hem, aanvankelijk nog wat onwennig met zijn staart, maar al snel kan hij Roland en de andere vissen prima bijbenen. Voor het eerst in zijn leven voelt hij zich zo vrij als een vis.