'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Jean-Marie Pfaff, het bitterkoekje van SK Beveren

Aafke Romeijn keek naar ‘De kleedkamer’, een soort ‘De Reünie’ voor Belgische vergeten helden. Ze keek naar Jean-Marie Pfaff, de enige voetballer uit het legendarische elftal van Beveren die het écht ver geschopt heeft en niet terug de haven in moest.

Door , in categorie: Column op .

 

Dit weekend zag ik een aflevering van het Vlaamse voetbalprogramma De kleedkamer. De opzet is eenvoudig: een viertal oud-spelers van een legendarisch elftal uit de Belgische eerste klasse (die momenteel de Jupiler Pro League heet) komt samen rond een tafeltje in een schimmig verlichte voetbalkantine en blikt samen met presentator Ruben van Gucht terug op het succesvolste jaar van hun elftal. In korte reportages zoekt Van Gucht spelers uit hetzelfde elftal op die in het buitenland wonen, of die anderszins een bijzonder verhaal te vertellen hebben. Een soort De Reünie, maar dan voor onvergetelijke elftallen. 

Het levert de mooiste sporttelevisie op die er is: een mengeling van kneuterigheid, historie, mooie portretten en voetbalpsychologie. Of je de elftallen en de voetballers kent, doet er eigenlijk niet toe: in de meeste gevallen is het juist een feest om ze te léren kennen. 

De aflevering die ik zag ging over het SK Beveren van seizoen ’78-’79. Beveren ligt onder de rook van Antwerpen, een dorp eerder dan een stad. Er is een gevangenis, wat industrie, sinds kort is er zelfs een Albert Heijn. Een dorp als zoveel andere dorpen in Vlaanderen. Ergens halverwege de 20e eeuw fuseren alle voetbalverenigingen uit de gemeente zich tot Sportkring Beveren, en wat volgt is een jongensdroom: het plaatselijke elftal wint de Belgische beker. Het seizoen daarop worden ze landskampioen, schijnbaar uit het niets. De spelers werken overdag in de Antwerpse haven, in de mijnen of in de fabriek, en elke avond na hun werk spurten ze zich naar het veld om te trainen. Moe zijn ze altijd, en toch ook nooit. In de Europaleague schoppen ze het tot de halve finales, waarin ze tegen FC Barcelona spelen. Een bizar avontuur.

De spelers van destijds zijn buiten de gemeentegrenzen van Beveren goeddeels vergeten, op één naam na: Jean-Marie Pfaff. De keeper met de bos krullen die zich lang nadat zijn carrière gedaan was jarenlang liet filmen in zijn kapitale bungalow in Brasschaat, waar hij zich negen jaar lang met vrouw, kinderen en kleinkinderen als een levende attractie tentoonstelde. Vriend en vijand lachte smakelijk om de ietwat kneuterige beslommeringen van een Vlaamse celebrity met het hart op de tong. We leefden mee toen bompa stierf, we maakten grappen over de namen van de kleinkinderen (Shania, Keano, Kenji en Bruce) en we raakten bijna gewend aan de rits sponsornamen die steevast op de kraagjes van Jean-Marie geborduurd stonden.

Nadat hij wegging bij SK Beveren speelde Pfaff onder andere bij Bayern München, waarmee hij nog drie keer Duits kampioen werd. In De kleedkamer wordt Jean-Marie gevraagd hoe hij terugkijkt op zijn carrière. Zijn gezicht betrekt. ‘Sja. Ik heb goed gevoetbald, maar het had beter gekund hè. Maar ja, het was me niet gegund.’ Hij duidt op de onwelwillendheid van Beveren om hem naar het buitenland te laten gaan. 

‘Maar Jean-Marie, je hebt een prachtige tijd gehad in München.’

‘Ja, ja’, Pfaff schudt meewarig zijn hoofd. ‘Maar da’s Duitsland hè, geen Engeland of Spanje.’

Naast hem zit clubicoon Jean Janssens. De linksbuiten speelde twintig seizoenen voor Beveren. Een andere club kent hij niet. In 1979 won hij de Gouden Schoen, maar naar het buitenland mocht hij niet. ‘Iedereen hier kan gaan’, had een bestuurder eens tegen hem gezegd, ‘iedereen, behalve gij.’ Het karige loon dat hij verdiende dwong hem om tijdens en na zijn voetbalcarrière havensjouwer te blijven. Ook hem wordt gevraagd naar zijn carrière.

‘Ik heb het heel goed gehad in Beveren. Natuurlijk had ik ergens anders heen kunnen gaan, maar had ik daar de kans gekregen om tot op mijn veertigste te voetballen? Ik betwijfel het.’

Het verschil in opvatting treft me. Ik google eens op Jean-Marie Pfaff, en het eerste bericht dat ik tegenkom is getiteld: “Pfaff legt het bij met Beveren”. Ik lees het. Jean-Marie was blijkbaar openlijk boos geweest op zijn oude club. ‘In Beveren zijn ze me vergeten’, had hij gezegd. Hij werd nooit meer genoemd, of ergens uitgenodigd. Ik kon het ongenoegen in zijn stem en ogen er inmiddels levendig bij denken. De club nodigde hem uit voor een fandag, en na een rondje handtekeningen uitdelen was hij weer content geweest. Verbittering is simpel te bestrijden, maar het is als een koortslip: het komt altijd terug. Zeker in het geval van Jean-Marie Pfaff. Verbittering lijkt in zijn geval een grondhouding die al even hardnekkig vitaal is als de bos krullen op zijn hoofd.

In de laatste scène van De kleedkamer is Jean-Marie nog altijd aan het woord. Hij schudt zijn hoofd en zegt meewarig: ‘Als je succesvol bent dan zijn er altijd die u belachelijk proberen te maken. Jaloers, zijn ze. Altijd maar jaloers.’

Ironisch genoeg beseft hij niet hoe jaloers hij zelf is.

 

*

PS. De kleedkamer terugkijken kan hier: https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/de-kleedkamer/1/sk-beveren/# (geef in je profiel wel even aan dat je in België woont)






Edgars leesadvies