'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Het tragische sprookje van koning Wenger

Arsène Wenger en Arsenal zijn alweer de grote verliezers van de transferperiode. Een nieuw hopeloos seizoen dreigt. Lucas de Waard schreef er een bitter sprookje over.

Door , in categorie: Column Satire Verhaal op . Tags: , , , ,


Diep in het asgrauwe hart van Londen zit een koning in zijn aftakelende kasteel. Het stucwerk op de muren verkruimelt, af en toe lazert er een kroonluchter van het plafond. De zalen zijn leeg. Ooit werd er gedanst, gezongen, gebruld van vreugde. Er werd gedronken en feest gevierd, als de koning en zijn manschappen weer een tegenstander aan de zegekar hadden gebonden. Maar nu bladdert de verf van de fresco’s, zitten er scheuren in de spiegelvloer en kun je alleen bij nacht de echo’s van het verleden nog horen.

De koning zit op zijn troon lusteloos met zijn scepter te spelen. Hij doolt wat door de gangen van zijn kasteel en kijkt uit over de binnenplaats. Een groot grasveld, waarover zijn manschappen nog tweemaal per week dodelijk vermoeid heen en weer sjokken.

‘We hebben nieuwe krijgers nodig!’, riep het volk, en de koning wist dat het gelijk had. Hij schreef brieven en nodigde de ene na de andere kampioen uit, maar kreeg nul op ’t rekest. De kampioenen wilden niet voor die vaal geworden vlag strijden – ze keken wel link uit; ze zouden maar worden meegesleept in de val.
In de equipe van de koning begonnen de beste manschappen te morren.
‘Waar strijden wij nog voor?’, wilden ze weten, ‘Aan het eind van de rit staan we met lege handen. We willen hier weg!’

Maar de koning liet ze niet gaan. Zonder die paar exceptionele sterkhouders zou het over en uit zijn. Het volk zou het kasteel de rug toekeren. De muren zouden bezwijken onder zoveel teleurstelling en de torens zouden eindelijk met donderend geraas naar beneden komen. Dus de koning dwong zijn beste manschappen om te blijven. Maar het gif had zich al een weg gebeten naar hun harten. Ze zouden nooit meer een extra meter lopen voor de koning, nooit meer tot het uiterste gaan, en hij wist het. Hij wist dat het voorbij was. Maar zoals zo vaak bij groot verlies; zoals wij allemaal proberen dat zo lang mogelijk uit te stellen; zoals we geen punt zetten achter een doodgebloede liefde; zoals we geen afscheid kunnen nemen van een verslaving; zoals we allemaal het einde in de ogen kunnen kijken en zeggen ‘Vandaag nog even niet’; zo handelde ook de koning. Hij schudde zijn hoofd en riep zijn mannen op de moed niet te laten zakken. Morgen weer een dag. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Eens zou de zon weer gaan schijnen. Niemand geloofde het. Maar iedereen zweeg.

De koning sjokt terug naar de troonzaal, laat zich op zijn troon zakken, die piept en kraakt. Er dwarrelt wat gruis van het plafond. Zuchtend frunnikt hij wat aan zijn mantel. En hij luistert naar hoe het kasteel met hem mee zucht. Hoe van diep in de kelders een fatale scheur heel langzaam zijn weg naar de hoogste toren zoekt.