'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Soms is er niets aan de hand

Er was niet zoveel aan de hand die dag. De zon scheen niet. Het regende soms een beetje. En daar stond Ronald Waterreus, bij het tankstation, een slaatje Russisch Ei te eten.

We schrijven dinsdagmiddag, iets voor de spits op de A58, op het tankstation ter hoogte van afslag Best. Ik draai mijn blauwe twintigjarige Volvo 440 de parkeerplaats op en haal een koffie die ik leunend tegen het portier van de auto opdrink.

Ik heb al vaak nagedacht over de geur van tankstations. Is het de benzine? Zijn het de uitlaatgassen? Of is het een mengeling van die twee? Misschien is het wel de geur van de mens die zijn huis verlaten heeft, maar nog lang niet op zijn bestemming is aangekomen, en in een soort niemandsland tussen komen en gaan verkeert. Om me heen staan en zitten mensen te wachten tot ze weer door kunnen met hun reis. Een dikke Litouwse vrachtwagenchauffeur leest een Litouws stripboekje, waar hij om de paar seconden om moet lachen. Een echtpaar in een gezinswagen ruziet, met gesloten autoraampjes. Hij slaat een keer boos op het stuur, zij liet een paar minuten geleden haar eerste tranen lopen. En links, bij het winkeltje, staat, leunend tegen een muurtje, tussen twee rekken jerrycans ruitenwisservloeistof, Ronald Waterreus. Hij heeft een grote zonnebril op, en draagt een zalmroze overhemd. Hij eet een slaatje Russisch Ei.

Ik denk aan de jaren dat hij bij PSV onder de lat stond. Aan dat nummer 23 van hem, omdat ie zo’n fan was van Michael Jordan. Aan die keer dat ze hem bij Philips wilden vervangen door Stanley Menzo. Of door Ivica Kralj. Of door Georg Koch.

Ik denk aan die keren dat hij verongelijkt en met een krakende stem, voor de camera mopperde over die ene bal breed, die hij ‘beter het Stratumsend op had kunne schuppe’. Ik denk aan hoe hij mopperde over hoe het Nederlands vrouwenelftal eigenlijk een totale aanfluiting was, en hoe heel Nederland daar over viel. Over die ene keer dat ik in een Manchester Citycafé was, en de naam Paul Bosvelt noemde (gejuich alom) en daarna die van Waterreus (Whaterroose? Doesn’t ring a bell, sorry pal). Aan hoe hij altijd de slechtste van de drie was: éérst Van der Sar (en kijk hem nu eens), dán Ed de Goey (en kijk hem nu eens) en dán hij pas. Over Van der Sar zal nooit een boek verschijnen. Over Ed de Goey misschien ééntje, met een omslag dat in Word-perfect gemaakt is. Over Ronald Waterreus zijn minimaal vijf romans te schrijven. En allemaal zouden ze hier, op het tankstation ter hoogte van Best, kunnen beginnen. Met Ronald, leunend tussen twee rekken, en zijn Russisch Eitje.

Het begint een beetje te regenen. De Litouwse vrachtwagenchauffeur bergt zijn stripboek op, en gaat in zijn cabine zitten. Het ruzieënd echtpaar maakt het goed. Hij kust haar op de zijkant van haar hoofd, en slaat zijn arm om haar heen. Zij droogt met een tissue haar tranen af. Even raakt hij haar wang aan.

Ronald beweegt niet. Hij staat nog precies onder het afdakje. Zijn zwarte auto staat een paar meter verder geparkeerd, bij de bandenoppompmachine. Hij eet het tweede halve ei in één hap. Hij knoeit geen mayonaise.

Ik vraag me af wat er in Waterreus’ hoofd omgaat. Misschien denkt hij aan de was? Misschien denkt hij na over het leven? Over die keer dat zijn droom uitkwam omdat hij in Amerika kon gaan voetballen (roman zes)? Ik wil naar hem roepen: ‘Ronald! Ronald! Waar dénk je toch aan?!’ maar ik doe het niet. Ik knijp mijn koffiebekertje in elkaar en gooi het in de vuilnisbak. Dan stap ik ook in de auto en rijd ik weg. Ineens bedenk ik dat ik vroeger, als ik moest keepen, altijd Ronald Waterreus wilde zijn. Of Vítor Baía.

Terwijl ik mijn auto voorbij die van Ronald Waterreus rijd, kruisen onze blikken. Heel even, een fractie van een seconde maar. Zoals degens elkaar kunnen kruisen, maar dan met kijklijnen. Ik onderdruk de neiging om mijn raampje open te draaien en ‘KOEMAN! KOEMAN!’ te roepen. Op sommige momenten moet je een man gewoon alleen laten met de absurditeit van het bestaan.

Zwijgend rijd ik Ronald Waterreus voorbij, die met een rood plastic lepeltje het laatste restje van zijn slaatje naar binnen schuift. Er zit er een klein beetje mayonaise op zijn vingers, maar dat hou je altijd. Over een minuut of twee zal hij de mayonaise van zijn vingers likken en zoals altijd bij een slaatje op het tankstation denken: mwah, viel toch tegen.

Soms schijnt de zon niet, en dreigt een regenbui die zijn komst maar blijft uitstellen. Soms ruikt het tankstation gewoon naar tankstation. Soms is er niets aan de hand.