'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

Een midweek naar het einde van de nacht

Een reconstructie van Patrick Kluivert en Edgar Davids in het vliegtuig naar Zimbabwe: zo moet het volgens Martijn Neggers ongeveer gegaan zijn.

Door , in categorie: Column op . Tags: , , ,

Half negen ’s ochtends. Edgar Davids zit aan zijn derde espresso. Voor zijn neus liggen de London Times, de Washington Post, Bild en de laatste uitgave van Charlie Hebdo, om zijn Frans een beetje op te kalefateren. Op het stapeltje kranten ligt zijn smartphone. Alles onaangeraakt. Davids roert zijn espresso, want dat is hoe het hoort. Je zou ze de kost moeten geven, de mensen die niet weten dat je een espresso eerst moet roeren, zodat de smaken zich écht met elkaar vermengen. Hij kijkt op zijn horloge. Dan kijkt hij de vertrekhal van Schiphol door, of hij Patrick ziet. Die is nergens te bekennen. Zijn espresso is tot stilstand gekomen.

Edgar Davids neemt een slok en pakt zijn boek weer vast. De kranten zijn voor in het Vliegtuig; nu is het tijd voor literatuur. Afgelopen week is Edgar begonnen aan De reis naar het einde van de nacht. Hij is nu pas op één derde, maar dat komt niet omdat hij het niet goed vindt: hij vindt het wél goed, maar het raakt hem zo diep, dat hij steeds maar een paar pagina’s achter elkaar kan lezen. De apathische houding van Bardamu, de hoofdpersoon, die in zulke mensonterende en hemeltergende situaties komt, en ze zeikend en vloekend lijkt te ondergaan – maar zonder er ook daadwerkelijk wat aan te doen. Het grijpt hem bij de keel. Na een paar pagina’s legt hij het boek weer weg. Sommige literaire werken zijn er om nippend tot je te nemen.

*

‘Patrick, doe dat stomme hoedje af.’

‘Wat nou? Is toch gezellig?’

‘Gast. Echt, je loopt voor lul.’

‘Ah, joh, ken mijn het verrekken, dat loop ik toch wel. Thanks trouwens nog, dat je de tickets betaald hebt.’

‘Geen probleem.’

‘Ja, zo’n goksyndicaatje hakt er wel in, hoor.’

‘Pat, even één ding hè.’

‘Wat?’

‘Ik zit een beetje in mijn maag met dat hele Mugabe-gebeuren. Ik snap het, het is een benefietje, wat kan daar mis mee zijn, ik snap het, we doen dit om goede redenen, en de mensen die ons erin geluld hebben, ik weet het, dat waren hele lieve mensen.’

‘Maar?’

‘Maar, misschien is dat shirtje niet zo’n goed idee. Laten we een beetje op de achtergrond blijven. Beetje opletten met de camera’s. Het hele circus niet meteen opzoeken?’

‘Wat, waarom dat nou? Ik heb speciaal zo’n ding laten opsturen.’

‘Pat.’

‘Ja wat?’

‘Het blijft natuurlijk wel Mugabe.’

‘Wie?’

‘Oké laat maar. Maar dat shirtje, dat geven we wel een keer zonder fotografen erbij, oké?’

‘Dat is toch zonde man? Is toch leuk?’

‘Patrick.’

‘Oké, oké,’ antwoordt Patrick, terwijl hij glimlachend zijn vingers gekruist houdt.

*

In het vliegtuig naar Zimbabwe leest Edgar Davids de London Times en Bild uit. Hier en daar streept hij met een klein potloodje de belangrijkste zinnen aan, zodat hij daar later vandaag nog eens naar terug kan kijken. Daarna gaat hij weer verder met Céline.

‘Ed? Ed, moet je kijken,’ tikt Patrick zijn oud-collega aan. Patrick wijst naar een mevrouw in een mantelpakje, die in haar neus zit te peuteren. Patrick lacht, en slaat Edgar op zijn schouders.

‘Ik zit te lezen, Patrick.’

‘Wat lees je dan.’

‘Céline?’

‘Céline? Céline? Lees jij wijvenboeken?’ Patrick lacht hard om zichzelf. Dan vraagt hij aan een stewardess of hij een zakje chips en een blikje cola mag. Edgar schudt zijn hoofd.

‘Louis Ferdinand Céline,’ mompelt hij. ‘Dat is een man, hoor.’

‘Oké, oké, gap, ik wist niet dat je boos werd. Hé, ze hebben toch wel ook gewoon McDonalds in Zimbabwe, hoop ik?’

Edgar zucht, en negeert Patricks vraag. Mopperend drinkt Patrick zijn cola leeg. Mopperend eet hij zijn chips op. Dan blaast hij mopperend een schoudersteuntje op, en schuift het ding over zijn nek heen. Daarna trekt hij mopperend een slaapmaskertje over zijn ogen.

‘Nou, leuk,’ verzucht hij nog maar een keer, in het luchtledige. Edgar negeert hem.

Na een paar uur tikt Davids Kluivert aan. ‘Hé, hé, Pat,’ mompelt hij. Patrick schuift zijn slaapmaskertje van zijn ogen af, op zijn voorhoofd. ‘Moet je dit horen. Hier, dit lees ik net.’

‘Is dat die Céline?’

‘Ja, man. Hier: we zouden met zijn allen bij het eind komen, en dan pas weten wat we nou eigenlijk in dit avontuur gezocht hadden. Zo is het leven, een straaltje licht dat wegsterft in de nacht. En misschien zouden we er nooit achter komen en niets vinden. Dat is de dood,’ leest Edgar hem voor. Patrick kijkt hem glazig aan. Dan schuift hij zijn maskertje weer over zijn ogen.

‘Moet ie lekker zelf weten,’ mompelt Patrick. ‘Ik sliep net.’