'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

De zeven bekers van Ramos

Real Madrid gaat dit jaar voor de vierde keer in vijf jaar tijd de Champions League winnen. Als u dacht dat dát al vervelend is, dan staat u nog wat te wachten. Lucas de Waard schetst een droef stemmend toekomstbeeld.

‘Het is 2022….’


Het is 2022. Real Madrid wint voor de zevende keer op rij de Champions League. Niemand kijkt. Het ‘Hala Madrid’, dat op een paar halfvolle pleinen in de Spaanse hoofdstad geschreeuwd wordt, klinkt routineus en verveeld.

Sergio Ramos zit op zijn balkon. Een aantal jaren geleden, toen hij zelf nog bij Real speelde, stonden hier dagen achtereen mensen in hagelwitte shirts hem toe te zingen. Nu is er alleen Pietro. Pietro is een bedelaar die hier vaak in de wijk rondscharrelt. Hij is voor Athletico en poept soms op Sergio’s oprit. Sergio heeft een keer de politie gebeld. Toen die kwamen sloegen ze Pietro bont en blauw met hun gummiknuppels. Pietro probeerde weg te rennen maar zijn broek zakte af. Huilend lag hij daar, in zijn blote reet op de stoep, terwijl de agenten op hem insloegen. Sergio kreeg spijt. Hij holde naar beneden en sommeerde de agenten op te houden. Toen ze hem herkenden trokken ze bleek weg.

‘Sergio Ramos! El lobo!’ viel er één prevelend op zijn knieën.

‘El faraón de Calmas! Vergeef ons!’ liet een ander zijn gummiknuppel vallen. Na drie shirts te hebben gesigneerd moest Sergio beloven dat hij ervoor zou zorgen dat Madrid dat jaar voor de derde achtereenvolgende keer de Champions League zou winnen. Hij beloofde het en hield woord. De politiemannen reden in de week erna wel vijf keer langs zijn huis. Elke keer werd er getoeterd en een vlag uit het autoraam gehangen.
Bij de vierde Champions Leaguewinst kwamen ze nog maar één keer langs. En bij de vijfde, Sergio’s laatste, helemaal niet meer. Ondertussen ging Pietro vrolijk door met in de buurt rondsnuffelen en op Sergio’s oprit kakken. De laatste keer, vorige week, had hij een rode kaart in de drol gestoken. Een verwijzing ongetwijfeld, naar Sergio’s kaartenrecord: 27 rode prenten in de Spaanse liga. In zijn laatste jaren was hij wat trager geworden, wat hij gecompenseerd had door spitsen op snelheid keihard tegen hun knieën te schoppen.

Pietro vist een half opgegeten banaan uit Sergio’s kliko en propt hem in zijn mond. Sergio trekt nog een biertje open. De zevende Champions Leaguewinst op rij; dat is niet minder dan legendarisch. Maar het is doodstil. Het centrum van de stad is te ver weg, en hij vermoedt dat als hij dichterbij zou wonen, het nog steeds weinig verschil zou maken. Madrid is er wel een beetje klaar mee. De andere finalist, Tottenham Hotspur, had zijn best niet eens gedaan. ‘Dit is Madrids feestje’, had de coach verzucht op de persconferentie. ‘Wij zijn alleen maar te gast.’

‘Hé Sergio!’

Sergio kijkt op. Pietro staat onder zijn balkon. Zijn ogen loeren priemend vanonder zijn gele petje naar boven. ‘Sergio, ouwe bokkenlul! Gefeliciteerd hè!’

Sergio glimlacht vriendelijk en haalt zijn schouders op.

‘Jahaaaa!’ roept Pietro, heftig knikkend. ‘Daar zit je dan hè?’ Ouwe zakkenwasser, met je rare pruilmondje! Niemand om doormidden te trappen! Niemand om een kaart aan te naaien! En wat heb je nou nog hè? Nou? Nou?!’

Sergio buigt wat naar voren. Hij wil zeggen dat de mensen nog altijd een verkeerd beeld van hem hebben. Dat hij dan misschien een spijkerharde verdediger mocht zijn, maar dat hij een goede vader is, een tedere minnaar, dat hij liefdevol voor zijn poezen en zijn alpaca’s zorgt en dat hij elke vrijdag met bejaarden wandelt. Dat hij gewoon graag wilde winnen. Maar hij zwijgt. Omdat hij inmiddels weet wat al dat winnen waard was.

Hij leunt achterover en vraagt: ‘Wil je een biertje, Pietro?’

In de verte toetert iemand. Het is geen vreugdevolle toeter. Gewoon iemand die ergens heen moet. Pietro krabt even op zijn achterhoofd.

‘Nou lekker’, zegt Pietro. En daarna, terwijl hij zijn broek laat zakken en op de oprit hurkt, ‘Maar eerst even dit.’