'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

De paardenkop van Cocu

Kort na het behalen van het landskampioenschap sopt PSV-trainer Phillip Cocu zijn slaapkamer uit. Zijn zwangere vriendin treft hem midden in de nacht, halfnaakt en dansend aan in de tuin. Waren er duistere krachten aan het werk die de landstitel voor PSV veilig stelden? Tim Notten zocht het uit.

Door , in categorie: Column Satire Verhaal op . Tags: , , , , ,

‘Het zal ook eens meezitten vandaag,’ denkt Cocu. In zijn achtertuin is de motregen overgegaan in een Hollywood-remake van de zondvloed. Zuchtend opent hij de keukendeur. ‘Nou, daar gaat-ie dan,’ zegt hij tegen zichzelf. Uit de weekendtas aan zijn schouders lekt bloed op de keukenvloer. ‘Godverdegodver,’ gromt de succescoach, ‘ook-fucking-dat-nog.’ Vanaf de veranda kijkt hij om zich heen. In de verte brandt licht achter het badkamerraam van de buren. Dat raam is geblindeerd, weet hij, sinds zoonlief Raoul erop werd betrapt de buurvrouw met een sterrenkijker te begluren. Voor het overige is de tuin volledig afgeschermd van nieuwsgierige blikken, maar toch voelt hij zich bekeken als hij haastig met de tas de oversteek maakt naar de bosrand. Daar laat hij de tas met een plof van zijn schouder glijden. In minder dan dertig seconden is hij tot zijn onderbroek doorweekt.

Hij twijfelt. Eerst het bloed in huis wegwassen of eerst graven? Het is halftien. Dorien is pas over een uur thuis. Maar als ze nou eens eerder thuiskomt? Als ze weer misselijk is, net als vorige week, toen hij haar kokhalzend van de auto naar huis had moeten brengen? De laatste weken valt de zwangerschap haar zwaar. Nee, hij heeft helemaal geen keus, het huis moest eerst schoon, en wel spik en span.

Met een emmer sop en een fles bleek volgt hij boenend en schrobbend het bloedspoor in omgekeerde richting, tot hij ten slotte op handen en voeten de slaapkamer bereikt. Daar is het net alsof Freddy Kruger op bezoek is geweest. Het dekbed en de lakens glinsteren van dieprood bloed. Cocu haalt het bed af en stopt het beddengoed in een vuilniszak. Het dekbed, de kussens en zelfs het matras zijn zodanig doordrenkt dat ze niet meer te redden zijn. De kussens propt hij bij de lakens, voor het dekbed heeft hij een tweede vuilniszak nodig. Het matras perst hij met geweld door het slaapkamerraam naar buiten, waar het meters lager op een vervaarlijk krakend konijnenhok terechtkomt. Zwetend sleept hij het matras, de kussens en het dekbed uit de logeerkamer naar hun eigen bed. Hij bekijkt het resultaat. Prima, niets meer aan doen.

Met twee treden tegelijk stormt hij de trap af, de keuken door, naar de garage. In het TL-licht ziet hij dat zijn overhemd onder het bloed zit. Hij scheurt het hemd van zijn lijf en gooit het achterin zijn auto, tezamen met de vuilniszakken. Dan pakt hij een schop en haast zich de door de tuin, waar de regen nog altijd gutst, naar de bosrand.

Daar wordt de weekendtas intussen belegerd door een zestal konijnen. ‘Kut,’ denkt hij. ‘Het matras. Ik moet dat matras nog zien te lozen. Hoe krijg ik dat in godsnaam in mijn auto?’

Het gevaarte blijkt het konijnenhok te hebben verpletterd. Twee konijnen hebben dat niet overleefd, de rest is ervandoor. Cocu sleept het matras mee en verbergt het zolang in de houtschuur achter de garage. Met een bouwzeil eroverheen zal Dorien het heus niet vinden voor hij een manier heeft gevonden er definitief vanaf te komen. Er piept iets in zijn longen, zijn ademhaling stokt. Alsof hij de zuurstof tegen een helling op naar binnen moet zien te trekken. Hij voelt zijn pols. Zijn hart speelt een Champions Leaguefinale. ‘Rustig, Phillip,’ denkt hij, ‘Rustig. Ontspannen.’ Damp komt van zijn ontblote bovenlijf, maar van de kou voelt hij niets. Langzaam krijgt hij zijn ademhaling weer onder controle. Zo beheerst mogelijk keert hij terug naar de sporttas. ‘Gat graven, kop erin, klaar,’ houdt hij zichzelf voor. ‘Je bent er bijna, jongen.’

De konijnen hebben zich intussen door de tas heen gevreten. De beestjes zitten onder het bloed. Ze zien eruit alsof ze levend zijn gefrituurd. Phillip ritst de tas open en tilt er een enorme paardenkop uit. De konijnen leven zich erop uit. ‘Toe maar jongens,’ zegt hij tegen de dieren, alsof ze partners in crime zijn, ‘na al die jaren paardenbloemen mogen jullie ook weleens proeven hoe the real deal smaakt.’

Spitten in de bosgrond valt niet mee, en een paardenkop is veel groter als je hem ziet zonder paard eraan vast. Het is kwart over elf. Dorien had allang thuis moeten zijn, maar in plaats van zich dodelijk ongerust te maken dankt hij ditmaal de goden en de onvoorspelbaarheid van haar werktijden. Eindelijk is het gat diep genoeg. Hij gooit de tas erin en laat de paardenkop erbovenop vallen. De konijnen duiken er knagend en sabbelend achteraan. Als hij ze uit de kuil wil redden wordt hij gemeen gebeten. ‘Dan niet.’ Hij schept de kuil vol aarde en stampt alles lang en hard aan.

‘Phillip!’ Doriens stem klinkt een octaaf hoger dan normaal, schril en benauwd in de kletsnatte nacht.

Van schrik springt hij op de schop en verzwikt zijn enkel. ‘Dorien! Au! Kut!’

‘Wat ben je in godsnaam aan het doen? Waarom ben je halfnaakt? En waarom sta je daar als een wilde te dansen?’

Phillip betast zijn enkel. Die zal de komende dagen opzwellen tot een kloppende kokosnoot, maar hij moet zich nu verbijten. ‘Dansen? O! Haha, ja, nou, dat is niet echt dansen hoor. Dit is een eh… nou ja, een soort van voetbalritueel, zeg maar.’

Voorzichtig komt hij overeind. Zodra hij zijn voet belast jaagt de pijn als een elektrische schok naar zijn hersenen, maar hij slaagt erin een grimas te produceren waarvan hij hoopt dat die voor euforie doorgaat. ‘Doe ik altijd na een gewonnen seizoen. Gewoon, om het kampioenschap te vieren.’

‘Wát doe je altijd, Phillip? En wat heb je daar begraven?’

‘Een… eh… Een Ajaxvlaggetje. Ja, haha. Een Ajaxvlaggetje.’ Hij grijnst nerveus. ‘Kinderachtig hè? Maar dat doen wij dus. Als traditie.’

‘En wie is wij?’

‘Ja, wij trainers natuurlijk. Guus heeft wel zes van die vlaggetjes in zijn tuin. Dit is mijn derde. Het is zeg maar een soort van ritueel graf. Met Ajax erin. En daar dansen we dan een uurtje op. Hebben jullie in de entertainmentindustrie dan niet van zulke tradities?’

Dorien schudt haar hoofd. Phillip kijkt naar haar uitpuilende buik, met daarin alweer hun tweede Cocu, die hij ten koste van alles wil behoeden voor het soort narigheid dat hij in de afgelopen uren manisch heeft geprobeerd weg te poetsen.

‘Laat me even denken,’ antwoordt Dorien. ‘Dansen op graven? Nee, volgens mij niet hoor. Maar ben je nou klaar met je ritueel? Dan kunnen we naar binnen en gaan slapen. Ik ben keikapot.’

Opgelucht hinkelt Phillip achter haar aan. Morgen moet hij ergens een roedeltje nieuwe konijnen op de kop zien te tikken. En misschien kan hij dat matras wel verbranden. Op de keukenvloer ligt een briefje dat hij over het hoofd moeten hebben gezien, precies op de plaats waar Dorien haar pas inhoudt, haar handen om haar buik slaat en kermt: ‘volgens mij wil het eruit, Phillip.’

Voor ze zich kan omdraaien grist hij het papier van de vloer en stopt het in zijn zak. ‘Moet ik de vroedvrouw bellen?’ vraagt hij met een stalen gezicht.

‘Nee, wacht nog maar even. Laat me eerst maar even liggen. Kom je snel bij me?’

‘Natuurlijk liefje. Doe maar rustig aan.’

Als ze bovenaan de trap is vist hij het briefje uit zijn zak. Er zitten bloedvlekken op. In hoekige, nogal kinderlijke letters staat er ook een boodschap, die hij moet hebben gemist toen hij tot zijn ontsteltenis een paardenkop in zijn bed vond. ‘Groetjes van Ten Hag,’ leest hij. Ten Hag. Ineens weet hij wat hij met dat matras aan moet. Uurtje marineren in benzine en dan bij die blaaskaak onder zijn rieten kap zetten. Lucifertje erbij en misschien nog even twijfelen: wel of niet aanbellen? Ach welnee, aanbellen is voor pussy’s.