'Haben Sie eine Stunde?'
- Leo Beenhakker

De chi van Robert Maaskant

Lucas de Waard zocht Robert Maaskant op, voor een verhaal over leven ná het voetbal. Dat leverde de volgende, indringende reportage op.


‘Ha Robert!’, begin ik joviaal als hem eindelijk aan de telefoon heb, ‘Zou ik…’, maar Robert Maaskant onderbreekt me meteen.

‘Geen gesloten vraag stellen’, zegt hij, streng maar niet onvriendelijk. ‘Ik zou het jammer vinden als dit gesprek met een gesloten vraag begint.’

Ik vertel hem dat ik graag een verhaal wil schrijven over zijn terugtreden uit de voetballerij, en het leven erna. De voormalig kroonprins van het trainersgilde is inmiddels ondernemer, adviseur en fanatiek beoefenaar van de Oosterse vechtkunsten.

‘En wat is je vraag precies?’, respondeert Robert Maaskant, na enige stilte. Ik meen op de achtergrond een beekje of fonteintje te horen kabbelen.

‘Nou, of ik je misschien mag interviewen?’ Meteen besef ik dat dit een gesloten vraag is en ik verkramp even. Het is een lange maand geweest en ik ben niet op mijn best. Eigenlijk ben ik vooral erg moe. Maar mijn deadline wacht, zoals dat een deadline betaamt, op niemand.

‘Jij bent je draak kwijt’, zegt hij dan.

‘Mijn draak?’

‘Ja. Je draak.’

Ik zoek naar een goede wedervraag maar vind er geen.

‘Kom maar langs’, zegt hij, dan praten we verder.’ Hij hangt op. Ik blijf een tijdje naar het zwarte schermpje van mijn smartphone staren.

 

‘En nu, Robert?’, vraag ik, als ik naast hem op een yogamatje ben gaan zitten. De knoesten en hobbels van de bosgrond voel ik er een beetje doorheen. Robert Maaskant reageert niet. Misschien zijn we al begonnen. Ik wurm mijn benen in kleermakerszit. Mijn handen plaats in op mijn knieën, net als Robert, en ik sluit mijn ogen. Om me heen ruisen de bladeren. Er fluit een schor vogeltje. Ik heb het een beetje koud en mijn spieren zeuren. Ik ben niet gemaakt om zo te zitten, dat blijkt maar weer.

‘En nu?’, vraag ik nog een keer.

‘Sssst! Ik focus mijn chi’, zegt Robert Maaskant. Ik zwijg en knik, maar dat kan hij niet zien, want hij heeft zijn ogen dicht.

‘Wat is een chi?’, vraag ik, maar daar heb ik meteen spijt van. Gelukkig antwoordt Robert Maaskant niet. Misschien heeft hij me niet eens gehoord. Misschien moet je, om je chi te vinden, je wel zó diep concentreren dat al het andere verdwijnt.

Om de tijd te doden som ik voor mezelf de clubs op waar Robert Maaskant gewerkt heeft, in chronologische volgorde. RBC Roosendaal. Willem II. Nogmaals RBC Roosendaal. NAC Breda. Wisla Kraków. Texas Dutch Lions. FC Groningen. Dinamo Minsk. Columbus Crew. NAC Breda. Go Ahead Eagles. Ik vraag me af op welk moment in deze voetbalgeschiedenis hij precies kroonprins van het trainersgilde werd, en wanneer dat weer ophield.

‘Je staat niet open’, zegt Robert Maaskant. Ik kijk naar hem. Hij heeft zijn ogen nog altijd gesloten en als ik hem zo zie zitten, de benen gekruist, de handen op de knieën, lijkt het alsof hij een stukje boven de grond zweeft. Maar dat zal gezichtsbedrog zijn. ‘Als je niet openstaat vind je de draak in jezelf niet.’

‘Ik denk alleen maar na’, zeg ik, een beetje gepikeerd. Ik kwam hier voor een interview en nu zit ik in een vochtig bos te mediteren. ‘Ik mag toch wel nadenken?’

‘Ja hoor’, zegt Robert Maaskant, ‘Denk na zoveel je wilt. Je hoofd is als een snelweg. Daar komen altijd auto’s langs. Die auto’s zijn je gedachten. Je mag best naar de auto’s kijken.’

‘Fijn’, zeg ik, geïrriteerder dan ik zou willen zijn. Maar ja, het is een lange maand geweest en ik ben niet op mijn best.

‘Probeer alleen niets van die auto’s te vinden’, zegt Robert Maaskant. ‘Laat ze gewoon voorbijrijden. Kijk ernaar, maar heb geen oordeel. Het zijn maar auto’s. Er komen altijd meer auto’s.’ Hij knikt even, alsof hij zichzelf gelijk wil geven, en voegt er dan aan toe: ‘En sluit je ogen. Dit werkt zo niet.’

Ik zucht en sluit mijn ogen. Ik moet ander werk zoeken. Of andere onderwerpen. Straks zal ik terugrijden naar kantoor, een inspiratieloos verhaal typen over een mislukte trainer die nu als een verlichtte sensei ergens tussen een stel natte coniferen wat voor zich uit zit te orakelen, en morgen ben ik gewoon nog steeds moe. En je zult zien: over een half jaar staat Robert Maaskant gewoon weer op het veld bij, ik noem maar wat, Helmond Sport. Want zo zijn mensen. Zo zit de wereld in elkaar.

Ik zucht. Ik zucht diep. Het komt vanuit mijn middenrif en het lijkt niet te stoppen. Een lange ademstroom die maar doorgaat totdat mijn longen helemaal leeg zijn. Ik adem in. Langzaam en kalm. En dan gebeurt het. Alsof iemand een warme, zachte hand op mijn borst legt. Of nee, het zijn twee handen. Ze glijden door mijn huid heen, vouwen zich om mijn ribben en trekken, zachtjes en pijnloos, mijn borstkas uit elkaar. En daar, in mijn van zijn harnas gestripte torso, verheft zich een gouden draak. Een wezen van allesoverheersende rust en harmonie. Ik val achterover, open mijn ogen en staar naar het blauwe zwerk. Om me heen fluiten niet één, maar wel honderd vogeltjes. En boven mij verschijnt het gezicht van Robert Maaskant.

‘Zo, dat is beter, of niet?’, zegt hij.

 

Het is een half jaar later als ik mijn Toyota corolla het tuinpad van mijn nieuwe woning in Spanje opdraai. Ik woon hier nu een paar maanden. Na alles achter me te hebben gelaten schrijf ik hier aan een roman, eentje die misschien wel nooit gaat afkomen, en werk ik wat in een lokaal koffiezaakje. Het leven is simpel, er gebeurt weinig, en ik ben tevreden. Als ik de Nederlandse krant uit de brievenbus vis en opensla zie ik een foto van Robert Maaskant. Hij is trainer geworden bij Helmond Sport. Het logo heeft hij laten veranderen in een gouden draak. Ik leg de krant op de tuintafel en ga in mijn hangmat liggen. En ik probeer een mening te hebben over dit bericht. Het lukt niet. De auto’s razen voorbij. Maar ik vind er niks van.